Europa kan twee wegen op, ook inzake veiligheid

Moet je de Schengenzone, die het vrij verkeer van personen regelt, versterken door meer samenwerking over veiligheid, of door opnieuw meer grenscontroles toe te laten? Dat was de essentie van een fundamentele discussie op de Europese ministerraad van Binnenlandse Zaken vandaag in Luxemburg.

Ik heb vandaag in Luxemburg mijn Hongaarse collega Sandor Pinter gefeliciteerd. De reden daarvoor is het werk dat hij samen met Europol gerealiseerd heeft op weg naar een Europese aanpak van de internationaal georganiseerde criminaliteit.

Het lijkt de evidentie zelf natuurlijk: de criminelen denken en ageren allang Europees, dus moet je hen daar aanpakken. Niets bleek minder waar. Toen ik vorig jaar, na de kalashnikov-incidenten in Brussel, de discussie op de Europese Raad aantrok over samenwerking inzake het tegengaan van de verspreiding van zware wapens, kreeg ik meteen bijval, van alle collega’s, dat dit een goed idee was. Alleen was daar op EU-niveau nog niet aan begonnen.

Ik ben daar op doorgegaan, onder het Belgisch voorzitterschap. En in november is dan het idee van de zogenaamde ‘beleidscyclus’ aanvaard, zeg maar een soort van embryonaal beleidsplan voor een Europese misdaadbestrijding. En zie, nu is mijn Hongaarse collega daar op doorgegaan, samen met Europol, de koepel van de Europese politie in Den Haag.

Daardoor konden we het vandaag als Europese ministers eens worden over acht ‘prioritaire dreigingen’. Kort samengevat gaat het om de strijd tegen:

–        de cocaïne- en heroïnesmokkel vanuit West-Afrika

–        criminele groepen in de westelijke Balkan die zich o.m. toeleggen op transit van illegale goederen

–       de netwerken van illegale immigratie aan de grenzen van Europa

–       de productie en distributie van synthetische drugs binnen Europa

–       de invoer van illegale goederen (sigaretten, drugs, namaakspoelen) via de containertrafiek

–       de mensenhandel en mensensmokkel

–       de georganiseerde daderbendes

–       de cybercrime

Naast datgene wat we vorig jaar al beslisten over strijd tegen zware wapens, vind ik dit een indrukwekkend lijstje. Is er enig zinnig mens die gelooft dat je die dreigingen anders kan aanpakken dan samen op Europees niveau?

We zijn er natuurlijk nog niet. Het Vast Comité voor Interne Veiligheid van de EU (COSI) moet dit allemaal nog verder uitwerken, en zal daarbij hopelijk voetje voor voetje kunnen vooruitgaan. De weerstanden, vooral de symbolische, zijn nog loodzwaar.

Maar de beslissing en discussie daarover alleen al was een verademing na het debat dat we vanmorgen voerden rond Schengen. Daarin ging het vooral over de herinvoering van grenscontroles door individuele lidstaten. Frankrijk en Italië hadden daar al voor gepleit nadat er 25.000 vluchtelingen uit het onrustige Tunesië de Middellandse Zee waren overgestoken. Denemarken wil intussen dezelfde weg op.

Ook die landen zeggen dat ze de Schengen-zone, en dus het vrij verkeer van personen, willen versterken. Dat is ogenschijnlijk een verdedigbare stelling, omdat de EU precies heeft nagelaten die Schengenzone gepaard te laten gaan met een concreet Veiligheidsplan dat ook de strijd zou opnemen van het gebruik dat criminelen maken van het vrij verkeer.

Maar precies daarom lijkt mij werk maken van een Veiligheidsplan een betere optie dan het herinvoeren van de slagbomen.  De enige manier om dat laatste efficiënt te laten zijn, is waarschijnlijk via drastische grenscontroles zoals die in de jaren dertig – of tot de jaren tachtig in het oostblok – bestonden, met visa’s en systematisch doorzoeken van elke vrachtwagen of wagen.

Is het dat wat we willen, of kiezen we voor onderling vertrouwen en samenwerking? Europa staat voor een fundamentele tweespalt, maar ik heb mijn keuze al gemaakt.

Share on:

Leave a comment