Rotte appels op de Bosuil

Bengaals vuur is al langer dan vandaag verboden in stadions. Het dient onder meer om op zee noodsignalen uit te sturen en brandt dus zelfs een tijd in water. Komt het op de menselijke huid terecht of op synthetische kledij, dan zorgt het voor diepe brandwonden. Daarom is het verboden, ook al blijkt het telkens weer zo moeilijk om dat verbod te handhaven. Daarom zijn er net iets teveel incidenten rond toeschouwers met van die brandwonden.

Als zogezegde fans dit soort vuurpijlen met tien, twintig gelijk op een plein gaan gooien waar spelers voetballen, en waar honderden toeschouwers rond staan, dan zijn ze niet meer aan het protesteren. Dan brengen ze andere mensen in gevaar. Dan zijn ze op zijn minst bezig met wat het strafrecht slagen en verwondingen noemt.

Protesteren als fan tegen het bestuur van een voetbalclub moet kunnen, met slogans, spandoeken, boycotacties. Het wordt echter stilaan een slechte gewoonte dat die protesten gewelddadig worden, zoals bij de belegering van Roland Duchâtelet vorige zomer op Standard. Wie de beelden zaterdagavond op Antwerp ziet, met vele gemaskerde mannen, in jeans en zwarte jas, twijfelt ook niet aan een ander fenomeen: het hooliganisme is terug van nooit helemaal weggeweest.

De scheidsrechter zaterdag nam de enig juiste beslissing: de match eerst stilleggen, en toen het niet ophield affluiten. De zogezegde fans weten dat dit gaat gebeuren, maar het raakt hen niet, net zomin als het puntenverlies en/of de boete die kunnen volgen. Daarmee is ook gezegd hoe fan die mensen zijn.

Als minister van Binnenlandse Zaken heb ik die kwesties maar al te vaak moeten aanpakken. Ik vermoed dat ook nu weer geen andere uitweg rest dan de repressie opdrijven. De rotte appels moeten er uit, met alle middelen. Daarvoor gaan de clubverantwoordelijken best weer samen rond de tafel zitten, met politie en de bevoegde diensten van Binnenlandse Zaken.

Drie jaar geleden bezocht ik, als minister van Binnenlandse Zaken, Real Madrid. Elke hoek van het stadion staat daar onder camera-bewaking, onder het motto: doe je iets verkeerd, we hebben bewijsmateriaal, en in detail. Binnen het stadion zorgde de club helemaal zelf voor security: niet alleen stewards, ook scanners en in reserve wat potige bodyguards. De politie deed de buitenkant, en er was goede samenwerking. Het motto was: wie minstens 75 euro betaalt voor een kaart verdient kwaliteit, geen sfeer van geweld van opgehitste, dronken of opgehitste mannen. Vandaar dat ook bijzondere inspanningen werden gedaan om een publiek van vrouwen en kinderen aan te trekken.

Real Madrid is natuurlijk los galacticos, de absolute top en één van de rijkste clubs ter wereld. Dat niveau, ook inzake veiligheid, is te hoog gegrepen voor Belgische clubs. Maar een beetje inspiratie kunnen we daar misschien wel vinden, nu we opnieuw de strijd moeten aangaan met nieuwe vormen van hooliganisme.

Share on:

Leave a comment