Speech – Energiecongres OVED

Ik sta hier voor jullie met een positief gevoel. Een volle zaal met energiedeskundigen, enthousiaste ambassadeurs van het energiebeleid. En enthousiaste mensen hebben we nodig, want ik heb ambitieuze plannen.

In mijn beleidsnota staan 2 grote strategische doelstellingen. Het ondersteunen van de transitie naar  een toekomstgericht energiesysteem en een grondige verbetering van het bestaande gebouwenpark.

De komende jaren moeten we stelselmatig evolueren naar een nieuw energiesysteem met plaats voor energiezuinige huizen, gekoppeld aan hernieuwbare energie in een slim netwerk én waarbij er plaats is voor zuinige wagens, wagens zonder uitstoot. Dat klinkt ambitieus, maar alle signalen en technieken geven aan dat dit wensbeeld mogelijk wordt. Wat we nu nodig hebben is een versnelling, een stroomversnelling.

Maar om een grondige verbetering van het Vlaamse gebouwenpark te bekomen, had ik een plan nodig dat breed gedragen werd. In overleg met de mensen van het VEA ontstond het idee van het Renovatiepact. Via een pact met een aantal concrete hefboomacties een  substantiële verhoging van de renovatiegraad van het Vlaamse woningbestand te realiseren.

Maar liefst 34 organisaties hebben zich achter de oproep tot deelname geschaard om op een actieve en constructieve manier mee te werken aan verschillende werkgroepen. Ik had gedacht dat er 10 organisaties zouden deelnemen, ik had gehoopt op 20, het zijn er uiteindelijk 34 geworden. Ook tijdens de werkzaamheden heb ik van verschillende stakeholders vernomen dat de werkzaamheden vlot verliepen, maar dat het een intensief traject was.

Dat was ook nodig. De uitdagingen zijn groot, ongeveer 2,3 miljoen bestaande gebouwen moeten de komende jaren energiezuiniger worden, en dan laat ik nog de appartementen en overheidsgebouwen buiten beschouwing. Bovendien wil ik snel aan de slag kunnen. Ik had een concreet plan nodig met hefboomacties. Daarom heb ik de termijn bewust kort gehouden, als er via wetgeving of fiscaliteit nog een aantal zaken gerealiseerd moeten worden, dan moeten we geen drie jaar studeren.

Komende maandag stellen we het eindrapport van het renovatiepact voor. De afgelopen weken en dagen zijn de verschillende organisaties naar mekaar toe gegroeid en er komt een consensus tekst naar voren. Ik ben in ieder geval al zeer tevreden met het opzet en ik wil dan ook gebruik maken van de gelegenheid om de vertegenwoordigers van jullie organisatie te bedanken voor de constructieve inzet in de verschillende werkgroepen. Fantastisch werk geleverd!

Maar om deze verbetering van het bestaande gebouwenpark vorm te kunnen geven, is er nood aan kwalitatieve energiekennis. Zeker voor het verduurzamen en het energiezuiniger maken van het Vlaamse patrimonium zal nog heel wat expertise nodig zijn. De energiedeskundigen zijn 1 van de vele actoren in het bouwteam die noodzakelijk zijn voor een kwalitatieve opwaardering van het Vlaamse patrimonium.

Voor wat betreft EPB verslaggevers zijn al een aantal hervormingen doorgevoerd waardoor ik hoop dat we een gegarandeerd kwaliteitsniveau kunnen realiseren. De cijfers tonen dit ook aan. Het aantal EPB-verslaggevers is de voorbije jaren gestagneerd, wat duidt op een zekere consolidatie in de markt.

In 2011 waren er nog meer dan 1750 EPB-verslaggevers, op dit moment zijn er 1584 verslaggevers actief. Sinds de inwerkingtreding van de nieuwe vereisten voor EPB-verslaggeving zijn er voorlopig weinig veranderingen merkbaar, maar om definitieve conclusies te kunnen trekken wil ik minstens 1 jaar de situatie kunnen volgen.

Voor EPC is de situatie een stuk complexer. Voor het EPC voor residentiële gebouwen zijn er sinds 2008 iets meer dan 6 000 energiedeskundigen geregistreerd en erkend. Maar dit betekent niet dat deze ook effectief actief worden als EPC-deskundige. Een minderheid, met name 2 265 energiedeskundigen zijn vandaag effectief actief. En met actief bedoel ik minstens 1 EPC opgeladen in de energieprestatiedatabank. Dit aantal is sinds 2010 niet veel veranderd, toen waren er net geen 2500 erkende en actieve energiedeskundigen.

Voor mij is het beroep van energiedeskundige noodzakelijk om de toekomst van een progressief energiebeleid te verzekeren. Ik moet zeggen, bij een aantal hervormingen die ik de afgelopen maanden in gang heb gezet, komt bij de burger vaak de vraag naar ondersteuning, hulp en begeleiding naar boven. Is het nu bij de hervorming van de energiepremies, dan wordt de vraag gesteld wie kandidaat-bouwers kan helpen met deskundige raad om de juiste maatregelen te nemen. Ook bij de begeleiding van mensen in energiearmoede is dat een aandachtspunt, maar daarvoor leveren de energiesnoeiers goed werk om sociaal zwakkeren in de richting van energie-efficiënte ingrepen te leiden.

We hebben daarvoor een begrip in het leven geroepen, ontzorging noemen we dat. En ik vind dat cruciaal. Je kan geen beleid gaan uitvoeren zonder dat het helemaal duidelijk is wie of wat de succesfactoren zullen zijn voor een concrete implementatie op het veld. Iemand die een energielening of een energiepremie nodig heeft, moet snel geholpen worden in een energiehuis om de formaliteiten te vervullen. Wie in energiearmoede leeft en geconfronteerd wordt met hoge energiefacturen, moet zijn weg vinden naar een energiesnoeier om zijn energieverbruik binnen de perken te houden. Iemand die zijn huis wil verbouwen, moet een architect of energiedeskundige vinden, al naargelang hij of zij een bouwvergunning nodig heeft of niet.

In welk segment je ook valt, ik wil dat alles kwalitatief en correct verloopt. Daar wil ik oog voor hebben. Een aannemer moet de werken kwalitatief laten verlopen, een energiesnoeier moet inzetten op het uitvoeren van maatregelen, … En een energiedeskundige moet zorgen voor een kwalitatief verslag of certificaat. En daar is nog werk voor de boeg.

In de eerste plaats moeten we kijken naar een degelijke basisopleiding. Een kwalitatieve dienstverlening begint bij de opleidingsinstellingen. Ik heb voor het eerst gevraagd aan een aantal opleidingsinstellingen, zoals ingenieurs- of architectenopleidingen van hogescholen en universiteiten, om de studenten beter te vormen in de energiematerie. Een beginnend architect of bouwkundig ingenieur moet beschikken over een basis aan energiekennis om ook bijvoorbeeld verslaggeving te doen. Dat lijkt mij een minimum. Een energiezuinig huis wordt gerealiseerd vanaf de eerste lijn op de tekentafel. Dat moeten de opleidingsinstellingen mee inbouwen in hun curriculum.

Verder is permanente vorming voor mij heel belangrijk, ‘on the job learning’, maar ook het volgen van scholing om permanent up-to-date te blijven met de laatste stand van techniek, de snelle evoluties in wetgeving of in zienswijzen van de opbouw van bijvoorbeeld softwarepakketten. Daar ligt voor mij de prioriteit. Als er een structureel kennisprobleem is, dan moeten we vooral inzetten op kennisverbetering. Zoals aangekondigd in mijn beleidsnota wordt naar aanleiding van de evaluatie van de certificatenregelgeving de erkenningsregeling van de energiedeskundigen bijgestuurd. Naar analogie met de EPB-verslaggever, die vanaf 1 januari 2015 verplicht is om een aantal uren bijscholing te volgen, zal permanente vorming voor energiedeskundigen worden ingevoerd.

En ik weet dat de sector vraagt naar een hervorming van de handhavingsregels, de controle op de werking van de energiedeskundigen. Ik ga daar kort over zijn. Ik sluit een hervorming van het handhavingssysteem niet uit. Handhaving moet eerlijk verlopen, maar moet zorgen voor een gegarandeerde minimale kwaliteit.

Er liggen nog grote uitdagingen te wachten.

Half maart heb ik samen met mijn collega Joke Schauvliege een conceptnota opgesteld om de vele attesten die gepaard gaan met bouwen en verkopen te vereenvoudigen. Uit een eerste oplijsting blijkt dat je ondertussen 6 attesten nodig hebt om je woning te verkopen, waaronder het energieprestatiecertificaat EPC. Om een nieuwe woning te bouwen heb je minstens 7 attesten nodig, waaronder het energieprestatieverslag binnenklimaat EPB. Dat is te veel voor een kleine regio als Vlaanderen, en in veel gevallen moet je dan nog een optelsom maken van beide cijfers.

In de loop van dit jaar zal een gespecialiseerde werkgroep met aanbevelingen komen. De meeste attesten in geval van een verkoop gaan uit van een keuring, om een koper of volgende eigenaar de nodige garanties te bieden. De attesten in geval van een nieuwbouw gaan een stuk verder, en vragen andere competenties waaronder een helder advies voor de initiatiefnemer. Dat zijn 2 verschillende zaken, waar kansen liggen voor de professionals die ambitieus willen doorgroeien naar een meer afwisselende job. Maar uiteraard is iedereen vrij om zijn loopbaan in te vullen.

Een belangrijke taak van mij als minister is het geven van informatie. In een snel veranderende omgeving zoals de energiesector is dat een permanente uitdaging. Daarom zoek ik graag samenwerking met de gespecialiseerde sectororganisaties om mijn doelstellingen te realiseren.

In het verleden zijn naast de helpdesk van VEA, ook een aantal gespecialiseerde energieconsulenten aangeduid om eerstelijnsadviezen te geven aan de vele professionals in de bouwsector. Ik heb vernomen dat ook OVED nauw samenwerkt met NAV, de architectenfederatie, in een dergelijk consulentenproject. Eén van de uitlopers van dat energieconsulentenproject, vind ik belangrijk binnen mijn strategische doelstelling om het gebouwenpark verder te vernieuwen. Eind vorig jaar heb ik een beperkt budget vrijgemaakt voor het opzetten van een communicatieplatform rond bijna-energieneutraal bouwen voor gespecialiseerde professionals, genaamd ben-architect.be.

De ontwikkelingen rond de BEN-norm creëerden een groeiende vraag naar een portaalsite voor particulieren en professionelen die op zoek zijn naar een BEN-architect en informatie hierover. Op deze website, ’www.BEN-architect.be’ kunnen alle architecten die in Vlaanderen reeds BEN-woningen ontwerpen hun projecten opladen.  Op deze manier kunnen deze voorlopers ook collega’s enthousiasmeren om dat ook te worden.

Met deze portaalsite willen we ook de architecten bewust maken van energie vanaf de eerste lijn die ze op papier zetten. De bedoeling is hen te engageren rond energie-efficiëntie en bijna-energieneutraal bouwen. Zij hebben ervaring in de sector, leverden al een of meerdere bouwprojecten af die op een bijna-energieneutrale manier gebouwd zijn, of zullen dit doen in de nabije toekomst. BEN-voorlopers zijn belangrijk omdat ze de transitie in de bouwwereld op gang trekken. Daarom wil de Vlaamse regering meer architecten en energiedeskundigen activeren om zich hierbij aan te sluiten.

Om af te sluiten wil ik een bruggetje slaan naar mijn andere bevoegdheden, Financiën en Begroting. Ik wil de komende tijd mijn bevoegdheden maximaal op mekaar afstemmen. Om mijn ambitieus actieplan te realiseren zal ik creatief moeten omgaan met de beperkte middelen. En dan biedt energie-efficiëntie interessante opportuniteiten en dynamische financieringsvormen omwille van de korte of middellange terugverdientijden van maatregelen zoals relightning, gebouwisolatie of stookplaatsvernieuwing.

Te weinig ondernemingen in Vlaanderen investeren vandaag in energie-efficiëntie. Het verlagen van de energiefactuur door energiebesparende maatregelen biedt nochtans extra ruimte voor andere investeringen en maakt een onderneming ook competitiever. Een gebrek aan kennis en affiniteit met complexe energiesituaties weerhoudt ondernemers echter vaak om hierop in te zetten. Daarnaast zijn er vaak te weinig financiële middelen voorhanden om de investering te doen. Willen ze daarvoor leningen aangaan, dreigen dan weer de kredietlijnen voor hun core investeringen aangetast te worden, en stijgt ook hun schuldenlast. Om hieraan tegemoet te komen en bedrijven de mogelijkheid te bieden om toch die interessante energie-efficiënte inspanningen te doen, heb ik voorgesteld om PMV de opdracht te geven om de oprichting van een ESCO-fonds te onderzoeken.

Een ESCO-fonds financiert als derde partij de investeringen die nodig zijn om energie te besparen. De derde partij wint zijn investering terug met het budget dat wordt uitgespaard door de energie-efficiëntie. Ook de onderneming ontvangt daar vanaf dag één al een onderdeel van. Eens de investering is terugbetaald, geniet de onderneming van de volledige winst via een besparing op de energiefactuur. Belangrijk is ook dat de ESCO ondertussen verantwoordelijk blijft voor het onderhoud van de investering, zodat het rendement gegarandeerd blijft. Een dergelijk fonds neemt met andere woorden de financiële drempels voor bedrijven, in het bijzonder KMO’s, weg en doet daarnaast aan ontzorging in een vaak complexe materie.

Het is net daar dat ook een rol zal weggelegd zijn voor kwalitatieve onafhankelijke deskundigen. Het is van belang dat een risicovolle operatie, zoals ESCO vandaag nog is, voldoende onderbouwd wordt met cijfermateriaal. Maar er moet vooral ingezet worden op een voldoende onderbouwing van de keuze van de techniek.

De ontwikkeling van een ESCO-fonds in de schoot van PMV is ook een oplossing voor de vaak terughoudendheid van de klassieke financiële instellingen om te investeren in energie-efficiëntie. Dit is immers een complexe financiering voor een beperkte investering en dit vereist ook een technische knowhow om de investering te onderzoeken op hun financiële en technische correctheid.

 

Dames en heren,

Er is werk aan de winkel, veel werk.

Ik hoop dat ik u overtuigd heb om mee na te denken over de transitie naar het nieuwe energiesysteem en het verduurzamen van het Vlaamse gebouwenpark.

We zullen alle handen en alle hersenen nodig hebben de komende jaren om mijn strategische doelstellingen te realiseren.

Ik reken op u, ik reken op de medewerking van OVED.

Share on:

Leave a comment