Zwaar veroordeelden moeten minstens helft straf uitzitten

Sinds 1888 komen veroordeelden in aanmerking voor voorwaardelijke invrijheidsstelling nadat ze een derde van hun straf hebben uitgezeten. Dankzij een aanpassing van deze eeuwenoude wet moeten zwaar veroordeelden voortaan minstens de helft van hun straf zullen uitzitten vooraleer ze in aanmerking komen voor voorwaardelijke invrijheidsstelling.

Naast de wet, wordt ook de procedure verstrengd. Wanneer een zwaar veroordeelde persoon voorwaardelijk wil vrijkomen, zal de strafuitvoeringsrechtbank voortaan een beslissing moeten nemen bij unanimiteit. Tot nog toe volstond een gewone meerderheid. Bovendien zullen voortaan vijf rechters in plaats van drie rechters hierover moeten oordelen.

Zwaar veroordeelden blijven langer in de cel

Iemand de veroordeeld werd tot een straf van 30 jaar of levenslang, kon vroeger na 1/3 van het uitzitten van zijn straf een aanvraag indienen om voorwaardelijk vrij te komen. Voortaan komt hij hiervoor pas in aanmerking, wanneer hij minstens de helft van zijn straf heeft uitgezeten. Concreet betekent dit wanneer iemand tot een celstraf van 30 jaar of levenslang werd veroordeeld, voortaan 15 jaar moet uitzitten, in plaats van 10 jaar zoals dat vroeger het geval was.

Is er recidive in het spel, wordt de termijn nog opgetrokken. Iemand die eerder veroordeeld werd tot een wanbedrijf, waarvoor hij minimum 3 jaar cel had gekregen, moet bij een nieuwe veroordeling tot 30 jaar of levenslang, minstens 19 jaar uitzitten.

Wie eerder werd veroordeeld tot een criminele straf van 5 jaar cel of meer, zal bij een nieuwe veroordeling tot een straf van 30 jaar of levenslang, minstens 23 jaar van deze straf moeten uitzitten.

Aangezien het gaat om een wetswijziging, is de verstrenging enkel van toepassing op personen die na de inwerkingtreding van de wet veroordeeld werden.

Het beslissingsproces van de SURB wordt verstrengd

Wanneer een veroordeelde de opgelegde minimumtermijn van de straf heeft uitgezeten, kan hij in aanmerking komen voor voorwaardelijke invrijheidsstelling, elektronisch toezicht of een regime van beperkte detentie. De SURB’s zijn sinds 2007 bevoegd voor het al dan niet toekennen van de voorwaardelijke invrijheidsstelling aan personen die veroordeeld zijn tot een gevangenisstraf van meer dan 3 jaar.

Vroeger werd het dossier van de veroordeelde automatisch overgemaakt aan de SURB, zodra hij in aanmerking kwam. Dit is vandaag niet langer het geval, waardoor veroordeelden expliciet een aanvraag moeten indienen.

Wanneer een persoon die veroordeeld werd tot 30 jaar of levenslang en ter beschikking werd gesteld, in aanmerking komt voor voorwaardelijke invrijheidsstelling, zullen voortaan 5 rechters, 3 beroepsrechters en 2 lekenrechters, unaniem een beslissing moeten nemen. Voordien gebeurde dit door 1 beroepsrechter en 2 lekenrechters en met gewone meerderheid.

Minister Turtelboom: “Wanneer personen, die veroordeeld werden tot 30 jaar of levenslang én ter beschikking werd gesteld, elektronisch toezicht of een voorwaardelijk invrijheidsstelling aanvragen, heeft dit een impact op de samenleving. Daarom hebben we voor deze zware gevallen 2 bodemrechters toegevoegd aan de SURB. Deze bodemrechters, die normaal uitspraak doen over de straftoemeting, moeten samen met de strafuitvoeringsrechter en de twee lekenrechters tot een unaniem besluit komen.”

Aangezien het hier gaat om een aanpassing van de procedures, zijn deze procedures onmiddellijk van toepassing op iedereen, ook op diegenen die al veroordeeld werden voor deze aanpassingen.

Injunctierecht om in beroep te gaan

Tot slot werd aan de Minister van Justitie injunctierecht toegekend, waardoor zij aan het Openbaar Ministerie in uitzonderlijke omstandigheden de opdracht kan geven om in beroep te gaan tegen een beslissing van de SURB. Dit beroep tegen de SURB kan enkel worden ingediend bij Cassatie, dat kijkt naar de wettigheid van de rechterlijke beslissingen.

Share on:

Leave a comment